Werkt een liesbroek bij voetballers met liespijn? Een gerandomiseerde studie

 

 

 

 

 

 

 

Over het liesbroek onderzoek

 

Dit onderzoek is een afstudeerproject voor de masteropleiding van Sebastiaan Stam (Hogeschool van Arnhem en Nijmegen) en Roald Otten (University of Bath, Engeland). Zij worden hierbij begeleid door Igor Tak, Rob Langhout en Adam Weir.

 

Mocht u vragen hebben, twijfel dan niet om contact met ons op te nemen. Wanneer u een potentiele deelnemer heeft/kent, geef dan alstublieft onze contactgegevens door, of laat ons contact met hem opnemen.

 

Alvast bedankt!

 

Met vriendelijke groeten,
Sebastiaan Stam en Roald Otten

 

Sebastiaan Stam                                                                                                               Roald Otten
sebastiaan@fysiotherapiemaarn.nl                                                        info@roaldottensportrevalidatie.nl

06-18422579                                                                                                                      06-51973911

 

 

Achtergrond informatie

Pijn in de lies komt vaak voor bij atleten. Vooral in sporten waarbij wenden en keren een belangrijk onderdeel vormt van de sport. Bij voetballers ontwikkeld ongeveer 4-19% van de spelers per seizoen een liesklacht die medische behandeling nodig heeft (Waldén, Hägglund, and Ekstrand 2015).

Speciaal daarvoor ontworpen broeken worden tegenwoordig vaak gebruikt door voetballers om liespijn te voorkomen of te verminderen. In de praktijk zien we vaak goede resultaten. Er is echter weinig wetenschappelijke basis voor het gebruik van deze broeken.

Chaudhari et al. (2014) vonden in hun studie met gezonde deelnemers zonder significante blessure historie, dat het gebruik van een liesbroek resulteerde in een significante verminderde activatie van de ipsilaterale adductor longus spier tijdens een 45˚ richtings verandering op volledige snelheid. Zij concludeerden dat het gebruik van een compressiebroek gunstig zou kunnen zijn bij het verminderen van pijn bij atleten met een blessure van de adductoren, of zelfs de kans op een blessure van de adductoren kan verminderen.

Dusver zijn er slechts twee case-studies uitgevoerd die hebben gekeken naar het effect van deze broeken op liespijn. McKim en Taunton (2001) vonden een significante vermindering van liespijn bij het gebruik van een liesbroek tijdens een aantal fysieke testen. Sawle et al. (2016) vonden echter geen significant verschil in liespijn in hun studie.

Het doel van deze studie is om te onderzoeken wat de effecten zijn van deze liesbroeken op het gebied van liespijn en prestatie.

 

Methode

Inclusie- en exclusiecriteria
De inclusiecriteria voor deelnemers aan het onderzoek zijn mannelijke voetballers met liesklachten sinds minimaal 4 weken, die nog niet helemaal gestopt zijn met het spelen van wedstrijden.

Deelnemers hebben een minimale Numeric Pain Rating Score (NPRS) van 1 tijdens en 2 na het sporten en zijn, om een zo’n homogeen mogelijke groep te krijgen, in de leeftijd van 18 tot en met 40 jaar. De deelnemers moeten minimaal één maal per week een training en een wedstrijd hebben. Alleen deelnemers met liesklachten die gediagnostiseerd zijn met een of meerdere klinisch gedefinieerde liesklachten zoals beschreven in de Doha Agreement (Weir et al. 2015), worden geïncludeerd (adductoren gerelateerde liespijn, iliopsoas gerelateerde liespijn, inguinale gerelateerde liespijn, os pubis gerelateerde liespijn).

Proefpersonen worden geëxcludeerd als er klinische verdenkingen zijn van heup-gerelateerde liesklachten of liesklachten van een andere oorzaak zoals beschreven in Doha agreement (Weir et al. 2015).

Om de proefpersonen te kunnen in- of excluderen wordt een anamnesegesprek afgenomen. Wanneer er vervolgens blijkt dat zij geschikt zouden kunnen zijn om geïncludeerd te worden, wordt er een klinisch onderzoek uitgevoerd (Hölmich, Hölmich, and Bjerg 2004). Als de proefpersonen deel willen nemen en geïncludeerd worden, vullen zij een toestemmingsverklaring in en ondertekenen deze. Proefpersonen hebben te allen tijde het recht om deelname aan het onderzoek, zonder opgave van rede, te stoppen. Daarnaast worden alleen resultaten meegenomen van proefpersonen die alle meetmomenten hebben volbracht.

Procedure
Voorafgaand aan de onderzoeksprocedure van de studie wordt een nul-meting uitgevoerd. Hierbij scoren de proefpersonen hun gemiddelde pijnscore in de afgelopen 4 weken op een Numeric Rating Scale (NRS). Daarnaast vullen zij de Copenhagen Hip and Groin Outcome Score(HAGOS) in. Dit om een goed beeld te krijgen van de onderzoekspopulatie en de op dat moment aanwezig klachten.

Tijdens de studie wordt het effect van twee verschillende liesbroeken geëvalueerd. De studie bestaat uit twee delen. Tijdens het eerste deel wordt een testprotocol doorlopen, terwijl in het tweede deel het effect van de broeken wordt geëvalueerd tijdens het gebruik van de broeken tijdens trainingen en wedstrijden.

Tijdens het eerste deel van het onderzoek zullen de deelnemers verschillende testen ondergaan onder drie verschillende condities. Allereerst zullen de deelnemers de testen uitvoeren in normale sportkleding. Hierna zullen de deelnemers de testen nog tweemaal uitvoeren waarbij zij de twee verschillende liesbroeken dragen (broek A en broek B). Middels randomisatie wordt besloten in welke volgorde dit plaatsvindt.

Voordat de deelnemers de onderzoeksprocedure starten zullen zij een warming up uitvoeren. De warming up bestaat uit 300 meter joggen (rondje om het veld) op een intensiteit van 60% (self-rated intensity), gevolgd door het tweemaal uitvoeren van een aantal veel gebruikte warming up oefeningen binnen het voetbal over een afstand van 16 meter: knieheffen, hakkenbillen, sluitpas (links en rechts) en kruispas (links en rechts).

De deelnemers zullen de volgende testen ondergaan; de Copenhagen Five-second Squeeze (CS), eccentrische krachttesten van de adductoren en abductoren (HHD), de Illinois Agility Test (IAT) en de schiet testen. De test volgorde blijft gelijk tijdens het testen onder iedere conditie.

Tijdens het tweede deel van het onderzoek krijgen de proefpersonen de twee liesbroeken mee naar huis. Deze broeken zullen wederom broek A en broek B worden genoemd. De deelnemers krijgen de opdracht beide broeken twee weken te dragen tijdens het voetballen. De volgorde van dragen wordt gerandomiseerd. De proefpersoon wordt gevraagd om na afloop van iedere training of wedstrijd de gemiddelde en maximale hoeveelheid liespijn te scoren die hij ervoer tijdens deze training of wedstrijd. Daarnaast wordt hij tevens gevraagd op de gemiddelde hoeveelheid liespijn aan te geven die hij ervaart op de dag na de training of wedstrijd. Dit wordt beide gedaan middels een NPRS. De proefpersoon kan de score invullen op een formulier dat is meegegeven door de onderzoekers. De proefpersoon zal tevens worden gevraagd een cijfer te geven op de Numeric Rating Scale (NRS) betreffende de comfort van de broek. Na beide periodes van twee weken wordt de deelnemer gevraagd om wederom de HAGOS vragenlijst in te vullen en daaraast het effect van de broeken te score op een Global Perceived Effect schaal (GPE). Na afloop wordt hen ook nog gevraagd of ze een van de broeken door zouden willen dragen en wordt hen gevraagd of ze een van de broeken zouden aanraden aan anderen met liesklachten.

 

Fysieke testen

De Copenhagen Five-second Squeeze
De Copenhagen five-second squeeze (CS) De CS is een valide test om de mate van liespijn bij sporters te meten (Thorborg et al. 2016) en is een van de diagnostische testen die wordt gebruikt om adductor gerelateerde liesklachten vast te stellen. De patiënt ligt op de rug met de heupen en knieën gestrekt. De onderzoeker plaatst een arm tussen de enkels van de deelnemer en instrueert de deelnemer om zo hard mogelijk een isometrische contractie uit te voeren voor vijf seconden. Hierna wordt de deelnemer gevraagd om een cijfer te geven aan de hoeveelheid pijn tussen de 0-10 op de NPRS.

Excentrische krachttesten
De excentrische kracht van de heup adductoren en abductoren zal worden gemeten middels het gebruik van een Handheld Dynamometer (HHD). ). Het meten van de excentrische kracht van de heup adductoren en abductoren kan betrouwbaar, (ICC=0.91, SEM% 7%,) worden uitgevoerd middels de testprocedure zoals beschreven door Thorborg et al. (2009). De krachttesten worden bij iedere deelnemer drie keer herhaald per testconditie.

Om de excentrische kracht van de adductoren te testen gaat de deelnemer op de te testen zijde liggen. Om de excentrische kracht van de abductoren te testen gaat de deelnemer op de contralaterale zijde van de te testen zijde liggen. In beide posities wordt de deelnemer geïnstrueerd om het te testen been volledige recht te houden. Bij het testen van de adductoren wordt het been voorafgaand aan de test in een lichte adductie gebracht door de tester alvorens de test begint. Bij het testen van de abductoren begint de test in neutrale heup positie. Vanuit deze startposities wordt de deelnemer geïnstrueerd om zo krachtig mogelijk het been omhoog te drukken tegen de weerstand van de HHD die de tester vasthoudt. De contractie wordt voor 3 seconden vastgehouden en tijdens de laatste seconde geeft de tester een overdruk richting de grond zodat er een excentrische contractie ontstaat in de te testen spiergroep, dit wordt een “break-test” genoemd.

Illinois Agility Test
De Illionois Agility Test (IAT) (Hachana et al. 2013) is een performance test die sport specifieke sprint belasting vraagt over een parcours. Hierbij wordt de proefpersonen gevraagd om op hun buik te liggen, met hun hoofd net achter de startlijn en de handen langs de schouders. Als het startsein wordt gegeven komt de deelnemer op en sprint het parcours. De IAT is een valide manier van het nabootsen van sport specifieke bewegingen waarbij de heup adductoren worden belast. Daarnaast heeft het een hoge mate van test-hertest betrouwbaarheid (ICC=0.95) (Hachana et al. 2013; Stewart, Turner, and Miller 2014).


Schieten met aanloop
Voor het nabootsen van passen en trappen wordt deelnemers gevraagd om twee keer een schot met maximale kracht en twee maal een sub maximaal schot uit te voeren. Hierbij wordt de snelheid van de bal gemeten zoals dit is gedaan in de opstelling van Langhout et al. (2016). De deelnemers wordt gevraagd om op een doel te schieten dat op 5 afstand staat.

Een maximaal schot wordt gezien als een schot op 100% snelheid, een submaximaal schot op 65-75% van de snelheid. De snelheid van de bal wordt gemeten met een snelheidsmeter (type WG 54, d&l, Utrecht). Deze meet de sneheid in km/h en heeft een meetafwijking van 1 km/h. Tussen de schoten zit een rust interval van 20 seconden. Deelnemers zijn vrij om een aanloop te nemen zoals ze zelf prettig vinden en schieten met hun voorkeursbeen. Na de test wordt de deelnemer gevraagd om een cijfer te geven aan de hoeveelheid pijn tussen de 0-10 op de NPRS.

Meetinstrumenten

HAGOS
De HAGOS-vragenlijst wordt gebruikt bij fysiek actieve, patiënten van jonge tot middelbare leeftijd die al lange tijd pijn in de heup en/of de lies hebben. De vragenlijst geeft een adequaat beeld van de beperkingen in activiteiten, beperking in participatie en kwaliteit van leven van de patiënt.(K Thorborg et al. 2011) De HAGOS wordt aanbevolen voor gebruik bij interventies, waar het perspectief van de patiënt en gezondheid-gerelateerde kwaliteit van leven van primair belang zijn. Hierdoor geeft het een betrouwbaar (ICC=0.77-0.89, MDC 5.2) beeld van de hoeveel liesklachten die de onderzoekspopulatie voor het onderzoek ervaart en welke invloed de interventie op de klachten heeft (Jo et al. 2013).

Global Percieved Effect
De GPE-schaal vraagt de patiënt om op een numerieke 7-puntsschaal te beoordelen hoeveel hun conditie is verbeterd of verslechterd sinds een vooraf bepaald tijdstip. De GPE heeft een hoge mate van betrouwbaarheid (ICC=0.997) en is daarnaast makkelijk en snel te hanteren in de praktijk. (Kamper et al. 2010) De GPE wordt afgenomen om een indicatie te krijgen in hoeverre deelnemers zelf het idee hebben dat een liesbroek helpt. Een score van 6 of 7 wordt gezien als een klinische verbetering, een score van 5 of lager wordt gezien als geen verandering.

 

 

Referenties

Chaudhari, Ajit MW, Steven T Jamison, Michael P McNally, Xueliang Pan, and Laura C Schmitt. 2014. “Hip Adductor Activations during Run-to-Cut Manoeuvres in Compression Shorts: Implications for Return to Sport after Groin Injury.” Journal of Sports Sciences 32 (14): 1333–40.

Hachana, Younes, Helmi Chaabène, Mohamed A Nabli, Ahmed Attia, Jamel Moualhi, Najiba Farhat, and Mohamed Elloumi. 2013. “Test-Retest Reliability, Criterion-Related Validity, and Minimal Detectable Change of the Illinois Agility Test in Male Team Sport Athletes.” The Journal of Strength & Conditioning Research 27 (10): 2752–59.

Hölmich, P, LR Hölmich, and AM Bjerg. 2004. “Clinical Examination of Athletes with Groin Pain: An Intraobserver and Interobserver Reliability Study.” British Journal of Sports Medicine 38 (4): 446–51.

Jo, Pall, Roland Thomee, Christoffer Thomee, Mikael Sansone, and Mattias Ahlde. 2013. “Cross-Cultural Adaptation to Swedish and Validation of the Copenhagen Hip and Groin Outcome Score ( HAGOS ) for Pain , Symptoms and Physical Function in Patients with Hip and Groin Disability Due to Femoro-Acetabular Impingement.” https://doi.org/10.1007/s00167-013-2721-7.

Kamper, Steven J, Raymond W J G Ostelo, Dirk L Knol, Christopher G Maher, Henrica C W De Vet, and Mark J Hancock. 2010. “Global Perceived Effect Scales Provided Reliable Assessments of Health Transition in People with Musculoskeletal Disorders , but Ratings Are Strongly Influenced by Current Status.” Journal of Clinical Epidemiology 63 (7). Elsevier Inc: 760–766.e1. https://doi.org/10.1016/j.jclinepi.2009.09.009.

Langhout, Rob, Igor Tak, Roelof van der Westen, and Ton Lenssen. 2016. “Range of Motion of Body Segments Is Larger during the Maximal Instep Kick than during the Submaximal Instep Kick in Experienced Football Players.” The Journal of Sports Medicine and Physical Fitness.

McKim, KR, and JE Taunton. 2001. “The Effectiveness of Compression Shorts in the Treatment of Athletes with Osteitis Pubis.” New Zealand Journal of Sports Medicine 29 (4): 70–73.

Sawle, Leanne, Jennifer Freeman, and Jonathan Marsden. 2016. “The Use of a Dynamic Elastomeric Fabric Orthosis in Supporting the Management of Athletic Pelvic and Groin Injury.” Journal of Sport Rehabilitation 25 (2): 101–10.

Stewart, Perry F, Anthony N Turner, and Stuart C Miller. 2014. “Reliability, Factorial Validity, and Interrelationships of Five Commonly Used Change of Direction Speed Tests.” Scandinavian Journal of Medicine & Science in Sports 24 (3): 500–506.

Thorborg, K, S Branci, MP Nielsen, MT Langelund, and P Hölmich. 2016. “Copenhagen Five-Second Squeeze: A Valid Indicator of Sports-Related Hip and Groin Function.” Br J Sports Med, bjsports-2016.

Thorborg, K, P Hölmich, R Christensen, J Petersen, and E M Roos. 2011. “The Copenhagen Hip and Groin Outcome Score (HAGOS): Development and Validation According to the COSMIN Checklist.” British Journal of Sports Medicine 45 (6): 478–91. https://doi.org/10.1136/bjsm.2010.080937.

Thorborg, Kristian, Christian Couppé, Jesper Petersen, Peter Magnusson, and Per Holmich. 2009. “Eccentric Hip Adduction and Abduction Strength in Elite Soccer Players and Matched Controls a Cross-Sectional Study.” British Journal of Sports Medicine, bjsm-2009.

Waldén, Markus, Martin Hägglund, and Jan Ekstrand. 2015. “The Epidemiology of Groin Injury in Senior Football: A Systematic Review of Prospective Studies.” Br J Sports Med, bjsports-2015.

Weir, Adam, Per Hölmich, Anthony G Schache, Eamonn Delahunt, and Robert-Jan de Vos. 2015. “Terminology and Definitions on Groin Pain in Athletes: Building Agreement Using a Short Delphi Method.” British Journal of Sports Medicine, bjsports–2015.